De student identificeert en benoemt op systematische wijze de verschillende manieren waarop digitale technologie impact kan hebben op de gebruiker, de organisatie en de samenleving als geheel. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen directe effecten, zoals veranderingen in werkprocessen, gebruiksgemak of besluitvorming, en indirecte of langetermijneffecten, zoals verschuivingen in verantwoordelijkheden, machtsverhoudingen of maatschappelijke verwachtingen. De student onderbouwt deze impact met relevante inzichten en plaatst technologische ontwikkelingen in een bredere context, zodat zichtbaar wordt hoe digitale innovaties niet alleen operationele verbeteringen teweegbrengen, maar ook structurele veranderingen kunnen veroorzaken binnen en buiten de organisatie.