De student identificeert en benoemt op systematische wijze de verschillende manieren waarop digitale technologie impact kan hebben op de gebruiker, de organisatie en de samenleving als geheel. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen directe effecten, zoals veranderingen in werkprocessen, gebruiksgemak of besluitvorming, en indirecte of langetermijneffecten, zoals verschuivingen in verantwoordelijkheden, machtsverhoudingen of maatschappelijke verwachtingen. De student onderbouwt deze impact met relevante inzichten en plaatst technologische ontwikkelingen in een bredere context, zodat zichtbaar wordt hoe digitale innovaties niet alleen operationele verbeteringen teweegbrengen, maar ook structurele veranderingen kunnen veroorzaken binnen en buiten de organisatie.
De student is in staat om doelgericht informatie te verzamelen, te analyseren en te delen binnen en buiten het innovatie- of ontwikkelproces, waarbij rekening wordt gehouden met de verschillende belangen en perspectieven van betrokken stakeholders. Dit betekent dat relevante kennis en inzichten actief worden opgehaald uit diverse bronnen, zoals gebruikers, collega’s, experts en externe partijen, en dat deze informatie op een passende en begrijpelijke manier wordt teruggekoppeld. Door communicatie bewust af te stemmen op doelgroep en context draagt de student bij aan transparantie, samenwerking en gezamenlijke besluitvorming gedurende het ontwikkeltraject.